Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben; en zij zullen over Hem rouwklagen als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.
— Zacharia 12:10
Ook in de lijdenstijd is de Heilige Geest zo noodzakelijk. Altijd is Gods Geest noodzakelijk. Nooit zullen onze ogen op de Heere Jezus gericht zijn en blijven dan door de Heilige Geest. En van die Geest zegt God Zelf dat Hij Deze zal uitstorten. Dat betekent dat de Heilige Geest niet in ons eigen hart te vinden is. Het betekent ook dat wij de Heilige Geest niet Zelf kunnen opwekken of dat iemand op aarde de Heilige Geest ons zou kunnen geven. In ons hart is van nature slechts een andere geest te vinden, de geest uit de afgrond. Die doet ons steeds zondigen en houdt ons van de Heere af. Er is er maar Eén Die ons Zijn Geest kan geven en dat is de Heere Zelf. Zelfs voor het huis Davids, toch het koningshuis dat vele vrome koningen heeft voortgebracht, gold dat de Heere moest zeggen dat Hij over hen Zijn Geest zou moeten uitstorten. Voor de inwoners van Jeruzalem, toch de door de Heere verkoren stad, gold precies hetzelfde. Jood en heiden, jong en oud, arm en rijk, allen zijn aangewezen op de Heere. Dan is het een troost dat de Heere Zijn Geest niet met mate geeft, maar het belooft: “Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden en zij zullen Mij aanschouwen…”. Wie stort die Geest uit, God de Vader? De Geest gaat van de Vader uit, maar ook van Christus Zelf. In deze profetie spreekt Hij namelijk Zelf: “…zal Ik uitstorten…en zij zullen Mij aanschouwen.” Zou u en jij daar niet om smeken? Dan wordt alles anders. Zoals alles anders werd bij de moordenaar aan het kruis. Zoals alles anders werd op het Pinksterfeest toen de Geest op 3000 zielen werd uitgestort.
Lezen: Joël 2:23-32
Door Ds. Y. R. Bijl