De roeping van werk
Gen. 2:15: Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.
Gen. 2:15
God plaatst de mens in een hof, een tuin, het paradijs (Septuaginta). Deze tuin ligt in de landstreek Eden. ‘Eden’ betekent mogelijk zoiets als ‘genot’, ‘vreugde’. De tuin is een vreugdehof. Daarin leefde de mens niet als in een luilekkerland. Als beeld van God is de mens geroepen de tuin te ‘bouwen’ en te ‘bewaren’
Het Hebr. woord voor bouwen/bewerken mag je ook vertalen met ‘dienen’. De mens is dienaar van de Heere in het paradijs. Hij mag God dienen in gerechtigheid en heiligheid. God dienen betekent in gemeenschap met God verkeren. In de sfeer van Zijn heerlijkheid God dienen, daarin is de mens als priester geroepen.
God dienen door Zijn tuin te dienen, die te bebouwen of te bewerken, daarin zit ook ‘werken’. Werk is dan ook geen gevolg van de zonde. In het paradijs en ook straks op de nieuwe aarde gaan we niet ‘eeuwig nietsdoen’. Het is geen eeuwige kerkdienst. De mens heeft taak en roeping in de schepping. Op de nieuwe aarde zijn zwaarden omgesmeed tot ploegscharen, speren tot snoeimessen. En ieder zal zitten onder zijn wijnstok en vijgenboom (Micha. 4:3) Dat zijn poëtisch beelden die suggereren dat de mens de nieuwe aarde zal bewerken om zo de HEERE dienen.
Werk is dus niet zozeer niet het gevolg van de zonde, maar weet je wat gevolg is van de
zonde? ‘Het zweet, de smart, het zwoegen bij het werk, omdat het na de zondige opstand tussen dorens en distels gebeurt. De vloek over de aarde laat werk ‘zwaar’ zijn.
Kun jij de zwaarte van jouw (school)werk ook als schuld aan God belijden? Is dat immers geen onderdeel van de zondeval? Immers, God heeft je oorspronkelijk niet bedoeld voor slaven en zweten.
Door Ds. J.W. Verboom