De roeping tot waakzaamheid
Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.
Gen. 2:15:
Het tweede woord naast ‘dienen’ is ‘bewaren’ of ‘bewaken’, ‘beschermen’. Het woord dat klinkt valt ook in Psalm 121: De HEERE is Uw Bewaarder. Beschermheer tegen kwaad van zonnesteek of rovers onderweg.
Zo is de mens naast dienende priester ook als waakzame koning geroepen in het paradijs.
De vraag is wel: Bewaren, bewaken waartegen? Dat zien we in Genesis 3: tegen insluipende gevaarlijke machten, een listig beest als de slang die niet komt uit het paradijs, maar komt ‘uit het veld’, zoals Gen. 3:1 het zegt. In het paradijs kan het gevaar ineens binnenkomen. De mens moet de vreugdehof, geluksland beschermen tegen ongeluk, dat is tegen het sterven, tegen de mogelijkheid van de zonde, van kwaad.
Want in het paradijs bestaat de mogelijkheid om te zondigen en daardoor te steven
Er is namelijk een gebod van God gegeven dat Adam en Eva van alle bomen vrij mogen eten, maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet ten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven. (Gen. 2:17)
Het laat iets zien van een stille geestelijke strijd die al in het paradijs aanwezig is.
De dood moet buitengehouden worden. De mens is niet volmaakt: hij kan nog zondigen.
‘Dienstbaar en waakzaam’ moest de mens in het paradijs zijn.
Dit staat ook als motto op politieauto’s. ‘Dienstbaar en waakzaam’. Zo is de mens als Beeld van God geroepen tot priester en koning. Om Gods schepping dienend en waakzaam te regeren. Besef jij die oorspronkelijke scheppingsbedoeling nu nog? Leef jij dienstbaar en waakzaam? Waakt en bidt!
Door Ds. J.W. Verboom