— Psalm 25:1-3
Deze week lezen we Psalm 25. Het is een Psalm van David en geschreven op het Hebreeuwse alfabet. David begint met zijn ziel op te heffen tot de HEERE. Dat is helemaal zo gemakkelijk niet. Want onze ziel kleeft van nature aan het stof. We bedenken de dingen die hier beneden zijn. Paulus zegt: De dingen die we zien zijn tijdelijk maar de dingen die we niet zien zijn eeuwig. Guido Gezelle schreef eens een gedichtje over het bidden. Het luidt zo:
Gij bad op ene berg alleen,
en... Jezu, ik en vind er geen
waar 'k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden:
de wereld wil mij achterna,
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn ogen sla;
en arm als ik en is er geen;
geen een,
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
O leer mij, arme dwaas, hoe dat ik bidden moet!
In de weg van belijden van onze zonde van aardsgezindheid wil de Heere Zijn genade bewijzen. David –die verre van volmaakt was- mag daarom zeggen: ‘Mijn God op U vertrouw ik’. Geloven is vertrouwen. Dat wordt gewerkt door Woord en Geest. Bij het lezen van de Bijbel wil de Heere door Zijn Geest vertrouwen in ons hart werken. Dat niet alleen anderen maar ook mij vergeving is geschonken en eeuwige zaligheid, om Jezus wil. Lees zondag 7 van de Heidelberger Catechismus mar. Zeker, er zijn ook vijanden. De duivel, de wereld en je eigen vlees. Maar al getuigen die terecht tegen ons, het geloof gelooft door alles heen dat het bloed van de Heere Jezus Christus ook mijn zonden volkomen heeft weggewassen. Dat lezen we treffend in zondag 23 van de Heidelberger Catechismus. Lees ook dat.
Door Ds. M. van Kooten