za:
6 En de opperschipper naderde tot hem, en zeide tot hem: Wat is u, gij hardslapende? Sta op, roep tot uw God, misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan.
7 Voorts zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Komt, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Alzo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona.
8 Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Wat is uw werk en van waar komt gij? Welk is uw land en van welk volk zijt gij?
9 En hij zeide tot hen: Ik ben een Hebreër; en ik vreze den HEERE, den God des hemels, Die de zee en het droge gemaakt heeft.
zo:
10 Toen vreesden die mannen met grote vreze, en zeiden tot hem: Wat hebt gij dit gedaan? Want de mannen wisten, dat hij van des HEEREN aangezicht vlood; want hij had het hun te kennen gegeven.
11 Voorts zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.
12 En hij zeide tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet, dat deze grote storm ulieden om mijnentwil over komt.
13 Maar de mannen roeiden, om het schip weder te brengen aan het droge, doch zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.
14 Toen riepen zij tot den HEERE, en zeiden: Och HEERE! laat ons toch niet vergaan om dezes mans ziel, en leg geen onschuldig bloed op ons; want Gij, HEERE! hebt gedaan, gelijk als het U heeft behaagd.
15 En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar verbolgenheid
— za: Jona 1:6-9 / zo: Jona 1: 10-15.
za:
Jona moet wakker worden gemaakt door de schipper. Die schipper is verbaasd. Hoe kan je slapen bij zo’n storm, bij zo’n groot gevaar? Dat is een ontdekkende vraag ook voor ons! Zondag aan zondag hoor je de prediking van oordeel en genade, van zonde en vergeving. Hoe kan je daaronder rustig blijven slapen? We vergaan! Bid tot jouw God!
De zeelieden beseffen ondertussen dat de storm iets te maken heeft met de mensen aan boord. Wij noemen dat: bijgeloof. Tegelijkertijd kennen we de geschiedenis van bijvoorbeeld Achan of de gemeente in Korinthe. Eén persoon aan boord (denk aan Cham, Judas) en de zaak kan gaan escaleren.
Het lot wijst Jona aan…
Ik stel me dat zo voor…. Terwijl de golven beuken, de wind huilt in de touwen van het schip, staan ze te loten…. En Jona? Hij zwijgt.
Trek je mond open, man! Je bent een profeet! Deze mensen zijn in doodsgevaar! Predik het Evangelie van redding en behoud!
En Jona die zei NEE! Hij zegt helemaal niets.
Wie ben jij dan? Wat heb je gedaan?
Ja, wat heb ik gedaan….? Weggelopen bij God vandaan. Vluchten voor Zijn aangezicht. Geslapen en gezwegen. Ik heb een misdaad begaan.
Wie ik ben?... een Hebreeër. En oh ja…. Ik vrees God.
Werkelijk Jona?
Vrees jij God?
Waar blijkt dat dan uit?
Weet je nog het begin van deze week? Wie in het boek Jona niet zijn of haar eigen naam in kan vullen, moet niet verder lezen.
Ik ben Jona. Vrees ik God? Wat doe ik dan hier op deze boot? Wat doe ik dan hier in deze storm?
Meer dan Jona is hier (Mattheus 12:41). Jezus sliep ook in de storm. Anders dan Jona. Bewust van Zijn macht. Vertrouwend op Zijn Vader. De discipelen maken Hem wakker. Jezus is meer wakker dan jij!
Overdenking: Waakt en bid, opdat je niet in verzoeking komt!
zo:
Om de geschiedenis tot een afronding te brengen voor deze week nog een overdenking.
De mannen worden bang als ze horen dat Jona tegen de God van de hemel en aarde gezondigd heeft en van Hem is weggevlucht. Ondanks hun angst roeien ze wat ze kunnen. Ze willen Jona redden. Terwijl Jona hen in het grootste gevaar gebracht had. En terwijl Jona sliep en zweeg. De mannen roeien en roeien…. Zonder effect. Integendeel. De zee wordt hoe langer, hoe onstuimiger.
We doen er als mensen alles aan om onszelf te redden. Zelfs als God tegen ons is. Vechten tot de laatste snik. Liever vechten dan je overgeven.
De mannen zorgen voor Jona. En Jona….?
Hij weet…. Dit is mijn schuld. En Jona levert zich met huid en haar over aan de Heere, Zijn God. In vertrouwen laat hij alles los. De mannen doen nog een gebed om vergeving, pakken Jona op, jonassen hem en in 1, 2, 3 gaat hij overboord. Plons! En de zee staat stil….
Meer dan Jona is hier. Vandaag is het zondag. Hoor je van Jezus.
Jezus ging overboord. Hij ging de dood in. Al de baren van Gods toorn gaan over Hem heen (Psalm 42). Jezus zonk weg in de diepten van Gods oordeel. En daarmee blust Hij de toorn van God tegen de zonde uit. De zee staat stil. In Christus is God verzoend. Het oordeel is betaald. De zeelieden zijn gered!
In Zijn overgave in de dood, ligt de redding van jou en mij. Hij liet alles los en dat mogen jij en ik ook doen. Hij ging aan het oordeel ten onder, om jou en mij te redden. Zijn bloed blust de toorn van God, tegen jouw en mijn zonden. Jezus gaat het graf in, om jou en mij het eeuwige leven te geven.
Meer dan Jona is hier. Wij bidden u, alsof God door ons bidt, laat je met God verzoenen en val in Zijn armen.
Door Ds. J.R. van Vugt