— Psalm 25:16-22
Gods kinderen hebben het niet gemakkelijk. Ze worden niet voor niets de ‘strijdende kerk’ genoemd. Ze kunnen zich nameloos eenzaam voelen. Vooral als de omgeving geen rekening houdt met de Heere en Zijn Woord. Als ze zelfs gehaat worden omdat ze de Heere alleen willen dienen. Vijanschap moeten ervaren. Dat is er echt niet alleen in islamitische landen en Noord Korea waar het verboden is om naar de kerk te gaan. Hoon en spot komt ook bij ons voor. Zij de Heere Jezus het Zelf niet: ‘Ze hebben Mij gehaat, ze zullen ook u haten’. Toch is dat niet alleen de klacht van David en al Gods kinderen. Er is ook de teleurstelling dat ze nog steeds tot allerlei zonden geneigd zijn. Dat maakt moedeloos. Daarom bidden ze dat ze oprecht mogen blijven en vroom. Zelf redden ze het niet. Ze hebben de Heere steeds nodig. Nu doet David nog iets opmerkelijks. Hij vraagt of de Heere Israel wil verlossen van al zijn benauwdheden. We weten niet wanneer David deze Psalm dichtte. Misschien wel in de tijd dat de Filistijnen oprukten tegen het volk van God. Nee, hij wist wel dat hij in eigen kracht hen met de reus Goliath niet kon overwinnen. Alleen in Gods kracht. Het volk Israel heeft het nog steeds benauwd. De haat tegen Israel is groot. Vroeger en nu. Antisemitisme noemen we dat. Ook in ons land is er voortdurend kritiek op Israel. Laten we wel bedenken dat Israel Gods oogappel is. Uit hen is de Heere Jezus immers voortgekomen. Ook hebben ze de belofte dat ze ooit de Heere Jezus zullen gaan erkennen als de Zaligmaker. Dat wil de duivel voorkomen. Vandaar de haat en vijandschap tegen Israel. Wie tot God bekeerd wordt gaat ook van Israel houden en voor Israel bidden. Jij ook?
Daarom moeten wij ook bidden voor verlossing van Israel. Niet alleen van hun aardse vijanden maar ook van hun vijandschap tegen de Heere Jezus. Dat Israel behouden zal worden, zoals Hij dat beloofd heeft in Romeinen 11 t/m 13.
Door Ds. M. van Kooten