“Abraham gewon Izak, en Izak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda en zijn broeders;”
— (Mattheüs 1:2)
Even leek het alsof de satan zou winnen en de Heere Jezus nooit geboren zou worden. Abraham en Sara waren oud geworden, maar hadden geen kind. In plaats van te wachten op de vervulling van Gods belofte, was Abraham er op een verkeerde manier werkzaam mee. Hij nam Hagar tot een vrouw en verwekte bij haar Ismaël. Deze Ismaël was echter niet de zoon van de belofte. Sara kreeg in haar hoge ouderdom toch nog een zoon: Izak. Zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn? Later zegt de engel Gabriël dat ook in soortgelijke bewoordingen tegen Maria. Hier zie je dat de Heere soms dwars door het onmogelijke heen zijn beloften vervult. Als niemand meer op Hem rekent, komt Hij over en schenkt Hij de vervulling. Zo werkt de Heere nog. Dat zien we in Psalm 107. De mensen kwamen keer op keer in grote nood. Toen riepen zij tot de Heere en Hij hielp hen uit. Dat is de weg: grote ellende, grote verlossing en grote dankbaarheid. Loop niet op de Heere vooruit, daar zal geen zegen op rusten. Ondanks dat Abraham wél vooruitliep (met Hagar), vervulde Hij toch op Zijn tijd Zijn belofte. Dat heet genade. Toen Izak ouder geworden was, trouwde hij met Rebekka. Samen kregen ze twee zonen: Ezau en Jakob. Jakob ontving op bedrieglijke wijze het eerstgeboorterecht. Izak had zijn zinnen op Ezau gezet, terwijl Jakob het kind van de belofte was. Dit alles zorgde voor ruzie onder de broers, zo erg zelfs dat Jakob moest vluchten naar zijn oom Laban. Die heeft Jakob op zijn beurt weer vreselijk uitgebuit. Juda wordt ook bij name genoemd. Hoewel de broers worden genoemd, lezen wij hun namen niet. Dat komt omdat Juda de stamvader was van dit geslacht. Zo zie je dat ook de aartsvaders niet zonder zonden waren. Integendeel, ook zij moesten leven van genade. Het is een wonder dat de Heere Jezus in zo’n geslacht geboren wilde worden.
Door Jan van Meerten