En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen;.
— Nehemia 1:4a
Deze week gaan wij met elkaar mediteren over woorden uit Nehemia 1. Dit hoofdstuk bestaat voor het grootste gedeelte uit een gebed. Dit is een leerzaam gebed. Dit gebed ontstaat vanuit de beleving van een stuk nood. Aan het einde van het hoofdstuk lezen we dat Nehemia schenker is van de Perzische koning Arthahsasta. Hij had maatschappelijk gezien een hoge positie. Maar hij vergat zijn afkomst niet. Hij hoorde bij de Joden. Een deel daarvan was ongeveer 90 jaar eerder teruggekeerd uit de ballingschap naar Judea. En wanneer er een familielid in het paleis komt, vraagt Nehemia hoe het gaat met de teruggekeerde ballingen. Het antwoord raakt hem diep. Zijn naasten zijn in grote nood. De teruggekeerde ballingen ervaren diepe ellende en spot. De stad Jeruzalem ligt nog steeds in puin. Hij haalt niet zijn schouders op en zegt 'ik het een goede positie hier en in Jeruzalem kijken ze maar hoe ze het doen'. Er is nog een diepere reden. Nehemia leefde dichtbij het Woord en wist van de belofte dat Jeruzalem hersteld zou worden. Maar dat is nog steeds niet gebeurd. De eer van de Heere ligt als het ware nog steeds in puin. Dat gaat hem vooral ter harte. Te midden van alle plezier aan het Perzische hof kan Nehemia niet vrolijk meer zijn. Hier ligt de belangrijke les voor jou. De tijd waarin je leeft, is een tijd waarin mensen erg op zichzelf gericht zijn. Wanneer er genade in je leven komt, dan verandert dat. Dan raak je op God gericht. Dan krijg je oog voor je naaste en de eer van God. Je wordt verdrietig over alle ellende die een naaste kan ervaren. En vooral gaat het je raken dat er zoveel is wat strijdig is met Gods eer; dat er (nog) zoveel is dat niet beantwoordt aan Gods bedoeling. Het werk van de Heere geeft niet alleen oog met er in je eigen leven moet gebeuren. Het geeft ook oog voor Gods eer en het welzijn van de naaste.
Door Ds. M.W. Muilwijk