‘Zo ging, dan zijn vader uit, en bad hem.’
— Lukas 15:28b
Prachtig toch, die ontvangst van de jongste zoon door de vader? Maar de gelijkenis is nog niet afgelopen. De Heere Jezus vertelt ook over de oudste zoon. En misschien is dit de zaak waar het om draait. Op wie lijk jij? Op de jongste of op de oudste zoon?
We lezen in de gelijkenis niet alleen van een ontmoeting tussen de vader en de jongste zoon. Maar ook van een ontmoeting tussen vader en de oudste zoon. Die oudste zoon is altijd bij vader gebleven. Hij heeft zich niet uitgeleefd in de zonden. Zou hij ook zo blij zijn dat zijn broer is teruggekomen? Nee!
Hij hoort het feestgedruis en vraagt aan één van de knechten wat er aan de hand is. Uw broer is teruggekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht. Er is alle reden om vrolijk en blij (vers 32) te zijn! Maar de oudste zoon is niet blij. Integendeel. Hij wordt toornig, en wil niet ingaan (vers 28). Mijn broer thuisgekomen en zo genadig ontvangen door vader? Nee, dat kan hij niet meemaken. Boos keert hij zich af.
Maar let op wat er dan staat. ‘Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem’. Vader hoort dat zijn oudste zoon niet binnen wil komen. Wat doet vader? Als mijn zoon niet naar binnen komt, dan ga ik wel naar buiten. Dan ga ik naar hem toe. Om hem de les te lezen? Nee, dat lees ik niet. Wat dan wel? ‘En bad hem’. De vader wekt zijn oudste zoon op wél binnen te komen. Hij dringt bij hem aan. Hij wekt hem op.
Zie je het? Wat? Wat deze vader wil! Wat wil hij? Hij wil dat het feest gevierd wordt om de terugkeer van de jongste zoon, maar niet zonder de oudste zoon. Zo is God. Ook die oudste zoon hoort erbij, al keert hij zich nu van vader af. Vader verlangt ook naar hem. Zo worden ook vandaag ‘oudste zonen en dochters’ genodigd: Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij je hart.
Lezen: Lukas 15:22-28
Door Ds. J.A. Mol