‘En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe.’
— Lukas 15:31
De oudste zoon somt allerlei argumenten op waarom de vader toch moet begrijpen dat het niet redelijk is om zijn broer zo thuis te ontvangen. Kijk eens, wat hij gedaan heeft. Kijk eens, hoe hij geleefd heeft. Doet dat er dan niet toe? En ik… ben u altijd trouw gebleven. Ik heb mij nooit overgegeven aan allerlei openbare zonden. En nu… Proef je het? Wat? Hoe dat hart is van die oudste zoon. Nederig of hoogmoedig? Weet hij zich een zondaar of zou hier sprake zijn van iemand met een hart van een farizeeër?
Opmerkelijk hoe de vader reageert: ‘Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe’ (vers 31). Nee, de vader valt niet uit tegen zijn oudste zoon (‘luister nu eens even goed…’). Hij gaat niet in op die negatieve kritiek. Maar spreekt… Hoe? Zachtjes denk ik, niet verwijtend, bewogen, verdrietig, met een gebroken stem. Eerst dit: ‘kind’. Hoor je dat? ‘Kind’. Vader noemt hem ‘kind’. Ook hier spreekt de vader met innerlijke ontferming (vgl. vers 20). Kind, mijn jongen. Jij hoort toch bij mij? Sterker nog: jij bent altijd bij mij. Jij woont bij mij. In het huis van de vader. Wat een voorrecht. En nog iets: al het mijne is van jou!
Verbonden aan de vader. Dat zijn deze twee jongens. De één is weggelopen, maar teruggekomen. De andere is nooit weggelopen, maar is hij ooit wel echt thuis geweest?
Beide kinderen verbonden aan de vader. Zoals jij, denk ik. Gedoopt in Zijn Naam. ‘Je hoort bij Mij’, heeft de Heere gezegd en laten zien. Besef je dat? Loop niet weg. En als je weggelopen bent, keer terug. Zie hoe genadig deze Vader is!
Ben jij altijd bij de Vader gebleven? Nooit weggelopen? Maar ben je wel echt thuis geweest? Heb je ontdekt dat je in jezelf nooit voor Hem kunt bestaan? Het is pijnlijk als je godsdienstige leven wordt afgebroken. Maar wat houd je over? Vreugde in Hem!
Lezen: Lukas 15:25-32
Door Ds. J.A. Mol