Nergens in de evangelien lezen we dat de Heere Jezus verscheen aan een grote menigte mensen. Toch heeft de Heere aan Paulus bekend gemaakt dat Hij ook verschenen is aan ruim vijfhonderd broeders. Op één plek. En op dezelfde tijd. Volgens Paulus was meer dan de helft nog in leven die er bij waren terwijl anderen reeds ontslapen waren. Het doet me een beetje denken aan ooggetuigen uit de Tweede Wereldoorlog. Toen ik een jongen van twaalf was en de boeken daarover verslond wisten de meeste Nederlanders daarvan te vertellen. Zeker degenen die achttien jaar waren en ouder. Het aantal mensen dat dit bewust heeft meegemaakt wordt per jaar kleiner. Maar er zijn er nog die kunnen vertellen van de aanval van de Duitsers op ons land, de jodenvervolging en de bevrijding. Wij zouden zeggen: Het merendeel is ontslapen maar sommigen leven nog. Precies het omgekeerde is hier het geval. De meesten kunnen het nog vertellen. Paulus nodigt als het ware de Korinthiers uit om eventueel contact met die mensen op te nemen om uit hun eigen mond te horen dat ze de opgestane Heiland mochten zien. Letten we er op dat er gesproken wordt over broeders. Dat betekent niet dat deze mannen allemaal echte broers van elkaar waren maar wel dat ze met geloofsbanden aan elkaar verbonden waren. Dezelfde Vader in de hemel hadden. Geschonken recht hebben op dezelfde eeuwige erfenis. De Heere Jezus zegt in Marcus 3:35: ‘Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder’. Wat is dan de wil van God? Dat vertelt de Heere Jezus ons Zelf in Johannes 6:40: ‘En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.’ Doende die wil zal men net als Hij opstaan uit de dood om dan met een nieuw zondeloos lichaam eeuwig Hem groot te maken. Zing maar veel: ‘Leer mij naar Uw wil te handelen’.
Lezen: 1 Kor.15:6.
Door Ds. M. van Kooten