En de HEERE God riep Adam en zeide tot hem: Waar zijt gij?
— Genesis 3:9
Deze week cirkelen we rondom de vraag: ‘Waarom is de ellende nodig om bij God te komen?’. Je kunt je echter wel direct afvragen: is dat eigenlijk wel zo? Het meest logische antwoord lijkt ‘ja’ te zijn. Want als je geen kennis hebt van de ellende, waarom zou je dan roepen om een Verlosser? De vraag gaat echter uit van iets in de mens voordat de Heere in beeld komt. Maar dat klopt niet. Vanaf de eerste verzen nadat de zonde en daarmee de ellende de wereld ingekomen is, wordt duidelijk dat de ellendige mens God niet zoekt of redding zoekt uit de zeer diepe val. Integendeel, de mens vlucht bij God vandaan. De ellende maakt hier letterlijk en figuurlijk scheiding tussen God en mensen. En daarom is het eerste antwoord op de vraag van deze week: ‘nee’. De ellende brengt een zondaar niet bij God. Het is allereerst andersom. Onze ellende is reden voor God om ons te zoeken. Het is opzoekende zondaarsliefde die de Heere bij de ellendige mens brengt die zich voor Hem verstopt en niet naar Hem vraagt! In artikel 17 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt dat prachtig beschreven: ‘Wij geloven, dat onze goede God, door Zijn wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende, dat zich de mens alzo in de lichamelijke en geestelijke dood geworpen, en zich geheel ellendig gemaakt had, Zichzelf begeven heeft om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood, en heeft hem getroost, belovende hem Zijn Zoon te geven, (…) en hem gelukzalig te maken’. Dat is nu Evangelie van Gods genade. Van nature vraagt een zondaar niet naar God, maar als de Heere je in de prediking opzoekt en naar jou vraagt, stort dan je hart vol ellende maar uit voor Zijn aangezicht. Hij heeft zondaars lief.
Lezen: Genesis 3:1-15.
Door Ds. P.W.J. van der Toorn