‘1 Een lofzang van David. Aleph. O mijn God, Gij Koning! Ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos. 2 Beth. Te allen dage zal ik U loven, en Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altoos. 3 Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.’
— Psalm 145:1-3
David begint zijn lofzang met een belijdenis. Zijn God is dé Koning. In plaats van ‘O mijn God, Gij Koning!’ zouden we beter kunnen vertalen: ‘Mijn God is dé Koning’. Wat een prachtige belijdenis van koning David. Hij belijdt dat niet hij, maar zijn God Koning is. Daarmee stelt David zich onder God en onder Zijn Koningschap.
Het is Davids verlangen de Naam van de HEERE groot te maken. In de Psalm gebruikt hij zijn woordenschat om dat tot uitdrukking te brengen. Verhogen, loven, prijzen, roemen, verkondigen, uitspreken, vermelden, vertellen en overvloedig uitstorten. Woorden schieten tekort om de Naam van de HEERE te verheerlijken.
Elke dag (te allen dage) wil Hij de Naam van de HEERE loven. Bijzonder om op te merken is dat in de joodse liturgie Psalm 145 een belangrijke plaats heeft gekregen. Deze Psalm wordt bij het morgengebed twee keer en bij het avondgebed één keer gereciteerd. Zo komt elke dag deze Psalm maar liefst drie keer aan de orde. Elke dag de HEERE loven. Tot in eeuwigheid en altoos (vers 1,2,21). Laat dat loven van God, de Koning doorgaan.
Waarom? De HEERE is groot. En Zijn grootheid is ondoorgrondelijk. Wij kunnen Hem niet doorgronden. Hoe groot is Hij! Hij doorgrondt ons wel (Psalm 139). Is dat ook reden voor jou om Hem te loven?
Door Ds. J.A. Mol