Deze geschiedenis leert ons dat er achter de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet nóg een werkelijkheid is. Als Elisa's knecht de ogen geopend krijgt, ziet hij geen droombeeld of visioen, maar een werkelijkheid die werkelijker is dan wat voor ogen is. Ook anderen in de Bijbel hebben de ogen voor die werkelijkheid geopend gekregen. Denk aan de profeet Jesaja. Hij krijgt de troon van God te zien waarop de Heere zetelt. Denk aan Bileam op zijn ezeltje. Hij kan niet begrijpen dat zijn ezeltje weigert nog een stap te zetten. Totdat de Heere hem de ogen opent en hij de engel ziet die hem de weg afsnijdt. Denk aan de herders op het veld uit Lukas 2: ze mochten in die Kerstnacht een blik in de hemel werpen. Of denk aan Stefanus, die vlak voor zijn steniging de hemel geopend ziet en daar de Zoon des Mensen ziet, staande aan de rechterhand Gods. Waarom wordt ons dat allemaal verteld? Opdat wij zouden weten dat er méér is dan onze ogen zien.
Ondertussen krijgen de vijanden van Israël die werkelijkheid juist niet te zien. De Heere had er natuurlijk ook voor kunnen kiezen om ook de ogen van de Syriërs te openen voor de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Van angst zouden ze hun wapens hebben laten vallen en ze waren in een rechte lijn teruggehold naar waar ze vandaan kwamen. Maar het voorrecht om de ware werkelijkheid te zien, blijft voorbehouden aan Gods kinderen.
Dat is nog altijd zo. Gods oordeel over zijn vijanden heeft vaak het karakter van verblinding. Toch laat de Heere zijn vijanden niet wegzinken in hun vijandschap. God heeft een manier om vijanden tot vrienden te maken. Door ze te beschamen. Door ze de andere wang toe te keren. In deze geschiedenis krijgen de vijanden brood en water voorgezet. Zo doet Elisa’s knecht wat Jezus later zal doen. Nee, Jezus ging vérder. Hij ging aan de vijandschap van de mensen ten onder. Opdat zondaren zalig zouden worden. Opdat vijanden met God verzoend zouden worden.
Lezen: 2 Koningen 6:15-23
Door Ds. G. Van Zanden