In de eerste eeuwen heeft de christelijke kerk een stormachtige groei doorgemaakt. Mannen en vrouwen uit alle lagen van de bevolking voelden zich aangetrokken door het christelijk geloof. Natuurlijk was dat vanwege de christelijke leer. Vanwege het zalig kunnen worden door Gods genade in plaats van door eigen werken. Van Zijn kracht die in onze zwakheid wordt volbracht. Maar behalve de christelijke leer was ook het christelijke leven iets vreemds en daardoor ook iets aantrekkelijks voor buitenstaanders.
We weten dat veel christenen gedurende de pestepidemieën in de Romeinse tijd in de steden bleven om zieken en stervenden te verzorgen, terwijl anderen de steden ontvluchtten. Het maakte voor de christenen niet uit of de zieke mensen medechristenen waren of niet. Het kon ze ook niet zoveel schelen of ze zelf ziek werden of niet. Dat viel op. Men vroeg zich af: wat bezielt deze mensen?
We vinden een antwoord in de eerste verzen van Mattheüs 8: ze drukken de voetstappen van de Heiland. Want daar zien we hoe een melaatse op Jezus af stapt. In gedachten zien we de omstanders terugdeinzen. Maar Jezus blijft staan. En opmerkelijk: niet de melaatse strekt zijn hand uit naar Jezus, maar andersom: Jezus strekt zelfs zijn hand naar hem uit. Hij raakt hem aan. Volgens de wetten van het Oude Testament is Jezus op dat ogenblik onrein. Jezus deelt in de onreinheid van deze man.
Maar Jezus Zelf is volmaakt rein en zuiver. En omdat Hij is wie Hij is, geldt nu het tegenovergestelde ook. Op het moment dat Jezus de onreinheid van de melaatse op Zich neemt, schenkt Hij hem Zijn eigen reinheid. ‘En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd.’ Waar is die melaatsheid dan gebleven? Die neemt Jezus op Zich en die draagt Hij straks weg, tot aan Golgotha’s kruis. Opdat in vervulling zou gaan wat geschreven staat in Jesaja 53:4: ‘Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op zich genomen.’ Dat geldt ook voor de krankheid van onze zonden. Hij strekt Zijn hand naar mij uit, opdat het mijne het Zijne zou worden, en het Zijne het mijne.
Lezen: Mattheüs 8:1-4.
Door Ds. G. Van Zanden