Indien gij dan mij houdt voor een metgezel, zo neem hem aan gelijk als mij. En indien hij u iets verongelijkt heeft, reken dat mij toe.
— Filémon: 17,18
In de brief van Paulus aan Filémon werpt de apostel zich op als een pleitbezorger voor Onésimus. Dat wil zeggen dat Paulus opkomt voor de belangen van Onésimus. Als vers 17 begint met het woord ‘indien’ dan drukt dat geen twijfel uit, maar Paulus is er vast van overtuigd dat. Hij zegt dus eigenlijk tegen Filémon: ‘U houdt mij voor een metgezel.’ Een metgezel is in de zakenwereld een compagnon. Compagnons dienen dezelfde zaak. Zij hebben afspraken gemaakt ter bevordering van hun zaak. En zo kan Christus de Zoon tegen Zijn Vader zeggen: ‘U houdt mij toch voor Uw Metgezel?’ Dat bleek met Pasen, toen ging de Vader openlijk akkoord met het volbrachte werk van Zijn Zoon. ‘Vader, indien U Mij aanneemt, zo neem dan ook de Mijnen aan.’ Paulus gaat als het ware voor Onésimus staan. Op zo’n wijze dat Onésimus helemaal achter Paulus verdwijnt. Zie je het in gedachten voor je? Daar staat Onésimus, voor Filémon en Paulus staat er tussen. Dan ziet Filémon niet de weggelopen slaaf, maar zijn compagnon en Onésimus ziet niet zijn rechtmatige meester, maar zijn pleitbezorger. Dan hebben beiden vrede bij het zien van Paulus. Snap je het beeld? Als Christus tussen treedt dan hebben de Vader en de zondaar vrede. Hoe dat kan? Wel omdat Paulus zegt: ‘Reken de schuld van Onésimus mij maar toe.’ Of Filémon dat daadwerkelijk gedaan heeft, weet ik niet. Dat de heilige God de schuld van Zijn Kerk heeft toegerekend aan Christus staat zwart op wit in de Bijbel. Wat een Pleitbezorger is Christus toch. Hij praat niet allen vrij, maar Hij maakt vrij. Weet jij van deze zaken af in jouw leven?
Door Ds. J. Lohuis