1 Maandag 3 augustus – De HEERE spreekt.
En het woord des HEEREN geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai, zeggende:
— Jona 1:1
In deze week en in komende bijdragen aan Kompas wil ik het Bijbelboek Jona met je overdenken.
Jona leeft ongeveer 800 jaar voor de geboorte van Jezus. Het Assyrische Rijk is in opkomst. De Assyriërs zullen zo’n 50 jaar later het 10-stammenrijk van Israël wegvoeren. Zover is het nog niet. Het 10-stammenrijk is op het hoogtepunt van zijn macht. We lezen dat in 2 Koningen 14: 23-27.
De HEERE verlost Israël – het 10-stammenrijk – door de hand van Jerobeam (de Tweede. Koning van Israël van 780-751 voor Christus) en onder zijn regering gaat het economisch en militair gezien goed met Israël. In de tijd dat Jerobeam II koning is van Israël, profeteert Jona (2 Koningen 14:25). Daarmee is hij een tijdgenoot van Hosea en Amos. De HEERE spreekt door de dienst van Jona, de zoon van Ammithai. Jona is een profeet van God. Hij is van Gath-Hefer.
Een paar dingen om over na te denken:
- Jona komt uit Galilea. Gath-Hefer ligt vlak bij Nazareth. Later zeggen de Farizeeërs (Johannes 7:52) dat er geen profeten uit Galilea komen, maar dat is dus niet waar. Jona is een Galileeër;
- Jona betekent ‘duif’ en zijn vader is Ammithai, wat zoiets betekent als ‘Waarheidsgetrouw’. Jona is de bode (duif) van Gods waarheid en trouw. Als profeet spreekt hij het Woord van God (de waarheid) en roept de mensen terug naar de Wet en God van Israël. In dit Bijbelboek wordt duidelijk dat hij zijn roeping als profeet niet waarmaakt;
- Jona is naast profeet ook knecht van de HEERE (met hoofdletters!). Hij dient God. Dat zegt hij ook tegen de zeelieden op de boot (Jona 1:9). Opnieuw….het komt bij Jona niet echt aan het licht dat hij God dient. Integendeel…
Overdenken: Spreek jij altijd de waarheid in dienst van God?
Lezen: 2 Koningen 14: 23-27
23 In het vijftiende jaar van Amazia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaria koning, Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël, en regeerde een en veertig jaren.
24 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet van alle zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.
25 Hij bracht ook weder de landpale van Israël van den ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord des HEEREN, des Gods van Israël, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Jona, den zoon van Amitthai, den profeet, die van Gath-hefer was.
26 Want de HEERE zag, dat de ellende van Israël zeer bitter was, en dat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israël geen helper had.
27 En de HEERE had niet gesproken, dat Hij den naam van Israël van onder den hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jerobeam, den zoon van Joas.
JouwKompas is een initiatief van
omsionswil.nl