En gij zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.
— Exodus 25:30
Sta je ervan te kijken dat God aan Mozes de opdracht gaf in het Heilige in de eerste plaats een tafel te plaatsen? Je zou toch een altaar verwachten? Nee, vóór de HEERE Mozes aanspreekt over het reuk- en brandofferaltaar, spreekt Hij over een tafel. Het is een niet al te grote tafel.
Op die tafel moest Mozes toonbroden leggen. Letterlijk staat er: aangezichtsbroden. We moeten goed onthouden dat deze toonbroden voor het Aangezicht des HEEREN liggen!
In totaal waren het er twaalf. Je raadt het al, dat ziet op de twaalf stammen van Israël. De priesters die moesten ze neerleggen is stapels van zes en iedere sabbat vernieuwen. Dat lees je in Leviticus 24 verzen 7 en 8. Het moesten ongezuurde broden zijn met wierook erop. Het is een offer voor de HEERE.
Ja, het was de Tafel der Toonbroden, maar tegelijkertijd fungeerde deze tafel als een altaar.
Die broden lagen daar als spijsoffer voor Gods Aangezicht. Daarmee is direct kortgesloten de gedachte dat deze broden symboliseerden dat God voor Israels oogst zorgde. Het is juist andersom! Israël biedt deze broden als offer de HEERE aan. In die twaalf broden brengt Israël de vrucht van het werk der handen als dankbaarheidsoffer voor Gods Aangezicht.
Dankbaarheid: wat kwam daar bij Israël van terecht? Wat kwam daar bij jou van terecht?
Getuigden deze broden heel Israels geschiedenis door niet tegen de ondankbaarheid van dit volk? Wat liep het vaak om zijn oogst de Baäls en de Astartes na. Riepen de broden ook niet om de gerechtigheid van Christus die God alleen kan verzadigen? Verkondigen deze broden ons niet dat de dankbaarheid alleen kan bestaan in Christus? Die het Brood des Levens is? Als je daarvan eet je nimmer zult hongeren? Dan kan onze dankbaarheid voor God alleen bestaan als wij die brengen in en door Christus. Kijk die twee stapels toonbroden, aangezichtsbroden, nog maar eens op aan. Alleen in Christus kunnen wij de vrucht van ons leven tonen aan God.
Lezen: Exodus 25: 23-30
Zingen: Psalm 81:8
Door Kand. W.J. Korving