‘En niet met ulieden alleen maak Ik dit verbond en deze vloek.’
— Deut. 29 vs 14
De HEERE sloot eens met Abraham Zijn verbond en zei dat in hem alle geslachten van het aardrijk gezegend zouden worden. Het is dus voor alle tijden, maar ook moest hij allen die in zijn huis waren besnijden, ook de vreemdelingen die in zijn dienst waren. Het is een groot voorrecht om te verkeren op het erf van Gods verbond. Om te leven onder de koepel van Gods beloften en geroepen te zijn om Gods geboden te houden die Hij bij de verbondssluiting met het volk bij de Horeb had gegeven, gegrift, vastgelegd in twee stenen tafels.
Zo moest ook Mozes bij de verbondsvernieuwing vlak bij Kanaän erop wijzen dat allen die met het volk optrokken in dat verbond begrepen waren: de stamhoofden, de oudsten en die bepaalde taken hadden, ja ‘alle man van Israël’, de kleine kinderen, de vrouwen, ook de vreemdeling in hun midden, de houthakkers en waterputters. Ze horen er allemaal bij.
In vs 14-15 wordt het nog ruimer en breder als Mozes zegt: ‘En niet met ulieden alleen maak ik dit verbond en deze vloek, maar met degene die heden hier bij ons voor het aangezicht des HEEREN onzes Gods staat èn met degene die hier heden bij ons níet is’. Dat kan slaan op hen die er niet bij konden zijn op dat moment, maar vooral moeten we hier denken aan de komende generaties. Gods verbond is geen zaak van dat ene moment, van een bepaalde dag, maar van geslacht op geslacht. De ruimte in Gods verbond strekt zich uit in de breedte van plaats en in de lengte van de tijd. Het is een eeuwig verbond!
De HEERE wil in een bijzondere betrekking tot Zijn volk staan. Hij heeft oog en zorg voor allen die op enige manier met Zijn volk verbonden zijn. Hierin laat de HEERE Zich kennen! Hij meent het met Zijn woorden die Hij tot heil van Zijn volk gesproken heeft. Hij wil ze daar allemaal van doordringen door dit op een plechtig moment door Mozes te laten verklaren. Mozes zegt: ‘Gij staat heden allen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods’.
Zo is dat ook het geval, telkens wanneer we met de gemeente op Gods dag en Zijn huis samenkomen om Zijn Woord te horen en de sacramenten te gebruiken en Hem aan te roepen in het gebed. Dat doen we in Zijn Naam. Dan komen en staan we voor Gods aangezicht, dat is de HEERE Zelf, de Heilige, de Eeuwige en Getrouwe. Hij wil zo graag Zijn volk voor Zich zien en bij Zich hebben. ‘Opdat Hij u Zichzelf tot een volk bevestige en Hij u tot een God zij’. Dan pas is het goed: Israël Zijn volk, Hij haar God.
Lezen: Deut. 29 vs 10- 17.
Door Ds. A. den Boer